De ziel in de literatuur

Ik kocht dit boekje uit belangstelling voor de ziel, minder voor ‘de literatuur’. Vervolgens inspireerde het me wel om de broeders Karamazov van Dostojewski te gaan lezen (gratis op de iPad).

Voor iemand die, als theosoof, gewend is de ziel op te delen en te analyseren is dit een wat teleurstellend boekje: het danst om de ziel heen, onzeker of het wel bestaat. Over bezieling, Plato, soap kijkers en Reve, van God en mens als verdwijnend subject tot Sartre en Wittgenstein. Over wat gezegd kan worden, en wat niet. Over de interne dialoog bij Dostojewski, Virginia Woolf, en Proust. Over Meister Eckhart en het eeuwige nu en Samual Beckett.

Kortom fascinerend en ongrijpbaar, maar voor wie tot een conclusie wil komen niet erg bevredigend. Dat hoort erbij, bij filosofie…

De ongezegde context in deze is natuurlijk de natuurwetenschap, die lijkt te zeggen dat er niet zoiets is als een ziel. Maar het feit blijft, zoals Edith Brugmans (ook redacteur) in de inleiding zegt ‘dat wij blijkbaar iets over de ziel te vragen en dus te zeggen hebben. De eerdere kwestie is dus: hoe kunnen wij iets over de ziel zeggen? Hoe kunnen we over de ziel spreken?’ (p. 12)

Dat is een mooi bruggetje naar artikelen in de bundel die meer in gaan op wat NIET gezegd kan worden, dan over de ziel, of bezieling… Dat krijg je als je Wittgenstein erbij haalt. Zijn “Waarover men niet spreken kan, zou men beter zwijgen” wordt door René Munnik geïnterpreteerd als een radicalisering van het moderne denken: “de tendens om alleen het wetenschappelijke spreken en denken het monopolie op ‘objectieve kennis’ toe te kennen.’ (p. 112)

En zo wordt een zoeken naar de ziel in de literatuur eerder cultuur kritiek.

Zo ook Pieter Anton van Gennip in zijn artikel ‘Het hart boven zichzelf uit’. Hij merkt op dat er in “verschillende godsdienstige tradities sporen van overwaardering van tekstelementen” zijn. “Een opmerkelijk voorbeeld levert het evangelie. Als de leerlingen, geïnspireerd door, mogelijk zelfs jaloers op diens gebedspraktijk, aan Jezus vragen om hen te leren bidden dan geeft hij als antwoord een gebedsformule (Lc. 11,1-5). Ik veronderstel dat zij als vrome Joden genoeg formules gekend moeten hebben. Hoewel het niet zonder risico is om in de Schrift te lezen wat er niet staat, vermoed ik dat zij eigenlijk om iets anders vroegen: de sleutel tot de intensiteit of intimiteit die Jezus in de wijze waarop hij formules hanteerde wist te bereiken. Formules op zich garanderen niets; ook het Onze Vader kun je als een holle formule afraffelen.” (p. 250)

Hij constateert:

“Mij irriteert de dominante, nogal opdringerige trend in de wijze waarop veel van hen [literatoren] over de ziel spreken en denken. Met een vrij achteloos gebaar vegen ze de betekenis ervan van tafel […] want wat moet je je nu voorstellen bij een onstoffelijk beginsel; iets dat niet in de feitelijkheid van de materie is verankerd is niet iets, het is niets; de ziel is een illusoire categorie [etc.] […] Maar die mensen kunnen zich in hetzelfde betoog met een vanzelfsprekendheid op hun zelf beroepen, alsof dat een minder ongrijpbare categorie zou zijn.” (p. 262)

En hij vraag of ziel en zelf in wezen identieke perspectieven zijn. Het antwoord heeft hij in feite al gegeven door zich uitgebreid te bezinnen op het bidden en zijn eigen kerkbezoek. Het antwoord is dus: nee, ze zijn niet het zelfde. In zijn woorden:

Zo gevraagd neig ik naar de constatering dat de in gebed en meditatie ontdekte en gecultiveerde ziel wel de ruimte ontsluit van een eigenste intimiteit, maar dat zij deze ruimte tegelijk openbreekt door haar onherroepelijk af te stemmen op de oneindigheid – en dus onbepaalbaarheid en onberekenbaarheid – van God, van eeuwigheid, van transcendentie. Het in introspectie ontdekte en gecultiveerde zelf ontsluit diezelfde ruimte van intieme eigenheid, om die meteen defensief voor alle inbreuken van buiten af te sluiten en uit te leveren aan zichzelf. Een spiegelbeeld waarin het volgens de mythe makkelijk kan verdrinken. (p. 263, 264)

Dat is mooi gezegd en geeft goed het verschil weer tussen twee vormen van introspectie. Mijn perspectief als agnostisch opgevoed mens is echter een andere: volgens mij kan die ruimte van de eeuwigheid ook ontdekt worden vanuit introspectie ZONDER een bewust af stemmen naar de eeuwigheid.

Ik heb Pieter Anton van Gennip’s artikel uitgebreid geciteerd omdat het ‘t dichtst bij mijn eigen perspectief komt, ook al ben ik dan geen gelovig Christen. Het woord ‘ziel’ roept de associatie op met een ‘er is meer’ waar we in onze cultuur de woorden voor verloren zijn.

Misschien is de reden dat ik ‘De ziel in de literatuur’ met plezier gelezen heb wel daarin gelegen: het onderzoekt dat verloren zijn van de ziel in onze cultuur.

2 thoughts on “De ziel in de literatuur”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *